Informatie

Onderstaande informatie komt uit de brochure "nierkanker" van het KWF-kankerbestrijding.
Ik heb de belangrijkste informatie er uit gehaald maar in de brochure staat nog veel meer. De brochure kan je hier downloaden.

Wat is kanker?
Kanker is een verzamelnaam voor meer dan honderd verschillende ziekten. Al deze verschillende soortenkanker hebben één gemeenschappelijk kenmerk:
een ongeremde deling van lichaamscellen.

Celdeling
Ons lichaam is opgebouwd uit miljarden bouwstenen:de cellen. Voortdurend maakt ons lichaam nieuwe cellen. Om te groeien en om beschadigde en verouderde cellen te vervangen. Nieuwe cellen ontstaan door celdeling. Bij celdeling ontstaan uit één cel twee nieuwe cellen, uit deze twee cellen ontstaan er vier, dan acht, enzovoort.

Geregelde celdeling
Gewoonlijk regelt het lichaam de celdeling goed. Elke celkern bevat informatie die de cel een signaal geeft wanneer zij moet gaan delen en wanneer zij daar weer mee moet stoppen. Deze informatie ligt vast in onze genen en wordt doorgegeven van ouder op kind. Dit erfelijk materiaal (dna) komt voor in de kern van elke lichaamscel.

Ontregelde celdeling
Bij zoveel miljoenen celdelingen per dag, kan er iets mis gaan, bijvoorbeeld door toeval. Verder staan tijdens ons leven lichaamscellen bloot aan allerlei schadelijke invloeden. Doorgaans zorgen ‘reparatiegenen’ voor herstel van de schade. Soms echter faalt dat beschermingssysteem. Dan gaan genen die de deling, groei en ontwikkeling van een cel regelen, fouten vertonen. Treden er verschillende van dat soort fouten op, dan gaat een cel zich overmatig delen en ontstaat er een gezwel of tumor.

Goed- en kwaadaardig
Er zijn goedaardige en kwaadaardige gezwellen of tumoren. Alleen bij kwaadaardige gezwellen of tumoren is er sprake van kanker. Tumor is een ander woord voor gezwel.

Uitzaaiingen
Van een kwaadaardige tumor kunnen cellen losraken. Die kankercellen kunnen via het bloed en/of de lymfe elders in het lichaam terechtkomen en ook daar uitgroeien tot gezwellen. Dit zijn uitzaaiingen (metastasen). Dus, als iemand met nierkanker (later) ook een tumor in de longen heeft, gaat het meestal niet om longkanker, maar om nierkankercellen in de longen. Deze worden ook als nierkanker behandeld.

DE NIEREN

Ons lichaam produceert allerlei afvalstoffen. Deze afvalstoffen worden via het bloed afgevoerd naar onder meer de nieren. De nieren zijn twee boonvormige organen, die achter de buikholte liggen, aan weerszijden van de wervelkolom. Aan de buitenkant bevindt zich een stevig omhulsel: het nierkapsel. Daaronder liggen de nierschors en het niermerg. In het niermerg bevinden zich ongeveer een miljoen kleine filtertjes: de nefronen. Het bloed stroomt permanent door de nefronen en wordt op die manier gereinigd: de afvalstoffen blijven achter in de vorm van urine. De urine komt via hetnierbekken en de urineleiders in de blaas terecht. De nieren vormen samen met de urineleiders, deblaas en de plasbuis de urinewegen.

NIERKANKER

In Nederland wordt per jaar bij circa 1.550 mensen nierkanker vastgesteld, van wie 60% mannen en 40% vrouwen.
Nierkanker kan op alle leeftijdenvoorkomen, maar vooral tussen de 60 en 75 jaar.
Er zijn verschillende vormen van nierkanker. De meest voorkomende tumor van de nier bij volwassenen is het niercelcarcinoom, ook wel bekend als Grawitztumor.

Uitzaaiingen
De tumor kan door het nierkapsel groeien en vervolgens doorgroeien in omringend weefsel. En, zoals bij de meeste soorten kanker, kunnen er uitzaaiingen (metastasen) optreden. Uitzaaiingen kunnen ontstaan wanneer kankercellen losraken van het gezwelen via bloed en/of lymfe op een andere plaats in het lichaam terechtkomen. Daar kunnen de uitgezaaide cellen uitgroeien tot tumoren. Uitzaaiingen van het niercelcarcinoom komen vooral voor in de lymfeklieren die dicht bij de nier in de buikholte liggen; in de longen, de botten en de lever.

Stadium
Misschien hoort u uw arts spreken over ‘het stadium’ van de ziekte. Daarmee bedoelt hij: de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Op grond van verder onderzoek kan de specialist het stadium van de ziekte vaststellen. Hetkomt er, samengevat, op neer dat er een goed beeld is van:

Oorzaken
Over de oorzaken van nierkanker is nog weinig bekend. Wel weten we dat sommige mensen een groter risico op nierkanker hebben. Overgewicht is een risicofactor. Een andere belangrijke risicofactor is roken. Geschat wordt dat rokers twee tot drie keer zoveel risico hebben op nierkanker dan niet-rokers. Meestal is nierkanker niet ontstaan door een erfelijke aanleg. Bij ongeveer 2% van de mensen die nierkanker hebben is dit wel zo. Er zijn verschillende zeldzame erfelijke aandoeningen waarbij een niercelcarcinoom kán ontstaan. De twee belangrijkste zijn:
Als u vragen heeft over erfelijkheid bij het ontstaan van uw ziekte, bespreek die dan met uw behandelend arts. Evenals alle andere soorten kanker is nierkanker niet besmettelijk.

KLACHTEN

Een tumor in de nier geeft in het begin zelden klachten. Daardoor is het vaak moeilijk de ziekte in een vroegstadium vast te stellen. Soms wordt een gezwel in de nier bij toeval ontdekt, bijvoorbeeld bij een algemeen lichamelijk onderzoek. Klachten die bij nierkanker kunnen voorkomen zijn:>

Deze klachten wijzen niet zonder meer op nierkanker. Maar als u deze klachten heeft, is het altijd verstandig om naar uw huisarts te gaan.

ONDERZOEK

Als u met een of meer van de hiervoor genoemde klachten bij uw huisarts komt, zal deze u eerst lichamelijk onderzoeken. Vaak zal hij ook bloed- en urine-onderzoek laten doen. Indien nodig verwijst uw huisarts u daarna naar een uroloog of een internist. Deze arts zal het lichamelijk onderzoek herhalen. Vervolgens zal hij vaak nader onderzoek voorstellen. In dat geval kunnen de volgende onderzoeken plaatsvinden.

Bloed- en urine-onderzoek
Voor het bloedonderzoek wordt wat bloed afgenomen waarmee verschillende testen worden uitgevoerd. Met die testen kan worden bepaald hoe het is gesteld met de werking en de conditie van uw nieren, lever en andere organen. Ook uw urine wordt onderzocht. Er wordt gekeken naar hoeveelheden van bepaalde stoffen en of zich bloedcellen in de urine bevinden.

Echografie
Echografie is een onderzoek met behulp van geluidsgolven. Deze golven zijn niet hoorbaar, maar de weerkaatsing (echo) ervan maakt organen en/of weefsels zichtbaar op een beeldscherm. Een eventuele tumor en/of uitzaaiingen kunnen zo in beeld worden gebracht. Tijdens het onderzoek ligt u op een onderzoektafel. Nadat op uw huid een gelei is aangebracht, wordt daarover een klein apparaat bewogen dat geluidsgolven uitzendt. De afbeeldingen op het beeldscherm kunnen op foto’s worden vastgelegd. Echografie is een eenvoudig, niet belastend onderzoek. Wel is het soms noodzakelijk dat u enkele uren voor het onderzoek niet eet en drinkt.

Biopsie
Als tijdens de echografie een afwijking aan het licht komt, kan de arts besluiten om een biopsie te nemen. Dit wordt bij een niertumor echter niet vaak gedaan:

Er wordt meestal wel voor een biopsie gekozen als er op diverse plaatsen in het lichaam, waaronder de nier, uitzaaiingen zijn gevonden en het niet duidelijk is of de tumor als eerste in de nier is ontstaan of ergens anders in het lichaam. Als de tumor elders is ontstaan is er geen sprake van een niertumor, maar van uitzaaiingen in de nier. Bij een biopsie brengt de arts een naald in om cellen op te zuigen of een stukje weefsel weg te nemen. Op een beeldscherm ziet hij precies wat hij doet. Vooraf kan uw huid plaatselijk worden verdoofd, maar dit is niet altijd nodig. Het weggenomen weefsel wordt in het laboratorium nader onderzocht: histologisch onderzoek.

CT-scan (computertomografie)
Als op de echografie inderdaad een tumor wordt gezien, zal de arts een ct-scan laten maken om meer informatie te verkrijgen. Een computertomograaf is een apparaat waarmee organen en/of weefsels zeer gedetailleerd in beeld worden gebracht. Bij het maken van een ct-scan wordt gelijktijdig gebruikgemaakt van röntgenstraling en een computer. Het apparaat heeft een ronde opening waar u, liggend op een beweegbare tafel,doorheen wordt geschoven. Terwijl de tafel verschuift, maakt het apparaat een serie foto’s waarop telkens een ander ‘plakje’ van het orgaan of weefsel staat afgebeeld. Deze ‘dwarsdoorsneden’ geven een beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van een mogelijke tumor en/of uitzaaiingen. Vaak is een contrastvloeistof nodig. Meestal krijgt u deze vloeistof tijdens het onderzoek in een bloedvat van uw arm gespoten. Contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel veroorzaken. Sommige mensen worden er een beetje misselijk van. Om ervoor te zorgen dat u hier zo min mogelijk last van heeft, is het advies enkele uren voor het onderzoek niet te eten en te drinken.

MRI (Magnetic Resonance Imaging)
Bij deze onderzoeksmethode wordt gebruik gemaakt van een magneetveld in combinatie met radiogolven en een computer. De techniek maakt ‘dwars- of lengtedoorsneden’ van het lichaam zichtbaar, waardoor een eventuele tumor en/of uitzaaiingen in beeld komen. Tijdens dit onderzoek ligt u in een soort koker. Sommige mensen ervaren het onderzoek daardoor als benauwend. Een MRI-apparaat maakt nogal wat lawaai. Hiervoor krijgt u oordopjes in; soms kunt u naar (uw eigen) muziek luisteren. Via de intercom blijft altijd contact bestaan tussen u en de laborant, die tijdens het onderzoek in een andere ruimte is. Soms wordt tijdens het onderzoek via een ader in uw arm een contrastvloeistof toegediend.

Cystoscopie
De meeste niertumoren worden met behulp van een echo en/of ct-scan gevonden. Als de eerste aanwijzingen niet direct op een niertumor wijzen én er bloed in de urine is gevonden, wordt meestal ook een cystoscopie gedaan. Bloed in de urine kan namelijk ook wijzen op een afwijking in de blaas. Cystoscopie is een ‘kijkonderzoek’ in de binnenkant van de blaas (de blaasholte). Hierbij wordt gebruikgemaakt van een cystoscoop. Dit is een holle buis met een kijkertje met sterk vergrotende lenzen. De cystoscoop wordt via de plasbuis tot in de blaasholte geschoven. Tijdens het inbrengen kan meteen de binnenkant van de plasbuis worden bekeken. Vrouwen hebben een korte, rechte plasbuis. Daarom wordt bij vrouwen een niet-buigzame cystoscoop gebruikt. Bij mannen is de plasbuis langer en bochtiger. Daarom wordt bij hen meestal een flexibele cystoscoop gebruikt. Het onderzoek is niet pijnlijk, maar de meeste mensen vinden het wel onaangenaam.

IVP
Soms wordt er ook een ivp gedaan. Een ivp (intraveneus pyelogram) is een röntgenonderzoek van de urinewegen. Hierbij krijgt u in een bloedvat van uw arm contrastvloeistof ingespoten. Na verloop van tijd komt deze vloeistof in de nieren terecht. Daar wordt de contrastvloeistof – net als andere afvalstoffen – uit het bloed gefilterd. De vloeistof komt via de urineleiders in de blaas terecht. Door met korte tussenpozen röntgenfoto’s te maken, is de weg die de contrastvloeistof aflegt, goed te volgen. Hiermee krijgt de arts informatie over de werking en eventuele afwijkingen van de nieren, de urineleiders en de blaas. De nieren en urinewegen zijn op de foto’s beter te zien als de darmen leeg zijn. Daarom moet u een of enkele dagen vóór het onderzoek laxeermiddelen innemen. Het onderzoek is niet pijnlijk. De contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel veroorzaken.

BEHANDELING

De meest toegepaste behandelingen bij nierkanker zijn:

U kunt ook een combinatie van deze behandelmethoden krijgen. Behandeling met celdelingremmende medicijnen (chemotherapie) is niet effectief bij nierkanker.

Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling tot doel heeft genezing te bereiken, dan wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Onderdeel daarvan kan een toegevoegde behandeling zijn. Bijvoorbeeld immunotherapie na een operatie, om eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden (adjuvante behandeling) en daarmee de kansen op ziektevrije, langdurige overleving te vergroten. Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo’n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten.

Operatie (chirurgie)
Bij nierkanker is een operatie tot op heden vrijwel de enige vorm van behandeling die kans op overleving biedt, mits er geen uitzaaiingen zijn. Bij deze operatie verwijdert de chirurg de zieke nier en het vetweefsel rondom de nier. Soms worden ook de bijnier en de omringende lymfeklieren verwijderd. De chirurg voert de operatie meestal uit via een snee in de buik, soms via de flank (zijkant van de buik tussen de onderste ribben en de heup).
Bij tumoren die kleiner zijn dan zeven centimeter kan, afhankelijk van de exacte plaats in de nier, een niersparende operatie worden overwogen. Een kleine tumor kan ook worden verwijderd via een ‘kijkoperatie’ (laparoscopie). Daarbij kan worden volstaan met een heel kleine snee. Als bij het onderzoek een enkele uitzaaiing is gevonden, bijvoorbeeld in een long of het bot, wordt ook deze soms operatief verwijderd. Als er uitzaaiingen in verschillende organen zijn ontstaan, is een curatieve behandeling niet meer mogelijk. De behandeling is dan vooral gericht op het verminderen van de klachten. In sommige gevallen wordt toch een operatie geadviseerd.
Dat gebeurt onder andere omdat het effect van verdere palliatieve behandelingen - zoals immunotherapie - dan beter lijkt aan te slaan. Ook bij klachten en bij verschijnselen als doorgroei naar omliggende organen of het vaak en veel plassen van bloed kan een operatie worden geadviseerd. In het laatste geval kan soms ook worden volstaan met het dichtmaken van de bloedvaten naar de nier.

Bijwerkingen
Als één nier wordt verwijderd (of gedeeltelijk verwijderd), heeft dat op zichzelf geen ernstige gevolgen: leven met één nier is goed mogelijk. De belangrijkste gevolgen van een operatie zijn:

Immunotherapie
Het afweersysteem beschermt het lichaam tegen schadelijke indringers, zoals bacteriën, virussen en vreemde cellen (zoals kankercellen). Immunotherapie is gericht op het activeren van het afweersysteem. Het voornaamste doel is het terugdringen van uitzaaiingen. Bij een klein percentage van de patiënten wordt met immunotherapie echter ook langdurige overleving bereikt. Bij de meeste patiënten vindt immunotherapie plaats in het kader van onderzoek naar nieuwe behandelingen. Immunotherapie is niet altijd mogelijk. U moet daarvoor een goede lichamelijke conditie hebben.
Bijwerkingen – De belangrijkste bijwerkingen zijn:

Bestraling (radiotherapie)
Bestraling is een plaatselijke behandeling met als doel de kankercellen te vernietigen, terwijl de gezonde cellen zo veel mogelijk gespaard blijven. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel. Bestraling wordt bij nierkanker toegepast als palliatieve behandeling: om pijn te bestrijden. Meestal is hiervoor een korte bestralingskuur voldoende. Aan het einde van de bestralingsperiode is vaak al verbetering merkbaar. Deze verbetering zet zich soms na afloop van de behandeling nog enige tijd voort.
Bijwerkingen – Een veel voorkomende bijwerking van bestraling is vermoeidheid.

Afzien van behandeling Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat, dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Hierbij zal het doel van de behandeling vaak een rol spelen. Het maakt natuurlijk verschil of de behandeling curatief of palliatief bedoeld is, of dat er sprake is van een adjuvante behandeling. Bij een curatieve behandeling accepteert u misschien meer bijwerkingen of gevolgen. Als een palliatieve behandeling wordt geadviseerd, zult u de kwaliteit van uw leven bij uw beslissing willen betrekken. En bij een adjuvante behandeling speelt de afweging of de belasting van een behandeling in verhouding staat tot het mogelijke risico van terugkeer van de ziekte. Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw specialist of huisarts. Iedereen heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van uw ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.

VERLOOP VAN DE ZIEKTE

Van mensen die zijn behandeld voor kanker, wordt vaak verondersteld, dat de ziekte na een periode van vijf ziektevrije jaren vrijwel zeker is verdwenen. Het valt echter moeilijk te zeggen wanneer iemand (definitief) genezen is van kanker. Daarom spreken we bij nierkanker bij voorkeur van ziektevrije jaren of overlevingspercentages. Doorgaans is het risico dat kanker terugkeert kleiner naarmate de periode dat de ziekte niet aantoonbaar is, langer duurt.

Met betrekking tot de vijfjaarsoverleving kunnen ruwweg drie groepen worden onderscheiden:

Het verloop van nierkanker is vaak wisselend en onvoorspelbaar. Overlevingspercentages voor een groep patiënten zijn niet zomaar naar uw individuele situatie te vertalen. Wat u persoonlijk voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend arts bespreken.

Vermoeidheid
Vermoeidheid kan ontstaan door kanker en/of de behandeling van kanker. Steeds meer mensen geven aan hiervan last te hebben. Sommigen krijgen enige tijd na de behandeling nog last van (extreme) vermoeidheid. De vermoeidheid kan lang aanhouden. Wanneer de ziekte vergevorderd is, kan de vermoeidheid ook te maken hebben met het voortschrijdende ziekteproces.

PIJN

Nierkanker kan pijn veroorzaken. In het begin van de ziekte hebben veel mensen geen pijn. Als de ziekte zich uitbreidt en er sprake is van uitzaaiingen, kan wel pijn optreden. Bijvoorbeeld door druk op een zenuw of door uitzaaiingen in de botten. Pijn is een ingewikkeld verschijnsel. Er treedt een pijnprikkel op, bijvoorbeeld omdat een tumor op een zenuw drukt. Deze pijnprikkel gaat via de zenuwbanen naar de hersenen. Er komt als het ware een telefoonverbinding tot stand tussen de pijnlijke plaats en de hersenen. Daardoor voelt u pijn.
Naast lichamelijke kanten zitten er ook emotionele en sociale kanten aan pijn. Iedereen ervaart het op een andere manier.
Over pijn bij kanker bestaan nogal wat misverstanden. Zo wachten mensen vaak (te) lang met het gebruiken van pijnstillers. Ze zijn bijvoorbeeld bang dat niets voldoende meer helpt als de pijn toeneemt. Of ze zijn bang om verslaafd te raken. Maar een goede pijnstiller maakt het meestal mogelijk om toch weer activiteiten te ondernemen.
Pijn kan grote invloed hebben op uw leven. Daarom is het belangrijk pijnklachten met uw arts te bespreken. Praten over pijn is geen zeuren. Bij het behandelen van pijnklachten zal in eerste instantie worden gekeken naar de oorzaak van de pijn en of deze kan worden weggenomen. Dit is niet altijd mogelijk, maar wel kan de pijn meestal worden verminderd of draaglijk worden gemaakt. Het gaat erom een pijnbehandeling te vinden die uw pijn onderdrukt en zo min mogelijk bijwerkingen geeft. Bij pijnstillers is het belangrijk om de voorgeschreven dosis op regelmatige tijden in te nemen. Pijnstillers werken namelijk het beste wanneer hiervan steeds een bepaalde hoeveelheid in het bloed aanwezig is.
Er zijn pijnstillers in de vorm van tabletten, capsules,drankjes, injecties, pleisters of zetpillen. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden om pijn te behandelen, waaronder bestraling, toediening van pijnstillende middelen via het ruggenwervelkanaal of een plaatselijke onderbreking van de zenuw die de pijn geleidt. Ontspanningsoefeningen en fysiotherapie kunnen ook bijdragen om de pijn te verlichten of kunnen ondersteuning geven om beter met uw pijn om te gaan.

EEN MOEILIJKE PERIODE

Leven met kanker is niet vanzelfsprekend. Dat geldt voor de periode dat er onderzoeken plaatsvinden, het moment dat u te horen krijgt dat u kanker heeft en de periode dat u wordt behandeld. Na de behandeling is het meestal niet eenvoudig de draad weer op te pakken. Ook uw partner, kinderen, familieleden en vrienden krijgen veel te verwerken. Vaak voelen zij zich machteloos en wanhopig, en zijn bang u te verliezen. Er bestaat geen pasklaar antwoord op de vraag hoe u het beste met kanker kunt leven. Iedereen is anders en elke situatie is anders. Iedereen verwerkt het hebben van kanker op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. Uw stemmingen kunnen heel wisselend zijn. Het ene moment bent u misschien erg verdrietig, het volgende moment vol hoop.

Misschien raakt u door de ziekte en alles wat daarmee samenhangt uit uw evenwicht. U heeft het gevoel dat alles u overkomt en dat u zelf nergens meer invloed op heeft. De onzekerheden die kanker met zich meebrengt, zijn niet te voorkomen. Er spelen vragen als: slaat de behandeling aan, van welke bijwerkingen zal ik last krijgen en hoe moet het straks verder. U kunt wel meer grip op uw situatie proberen te krijgen door goede informatie te zoeken, een dagboek bij te houden of er met anderen over te praten: met mensen uit uw omgeving, uw (huis)arts of (wijk)verpleegkundige. Er zijn ook mensen die alles liever over zich heen laten komen en hun problemen en gevoelens voor zich houden. Bijvoorbeeld omdat zij een ander er niet mee willen belasten of gewend zijn alles eerst zelf uit te zoeken.

Voor ondersteuning zie de brochure van KWF-kankerbestrijding.


Indeling kankers volgens Europees TNM systeem

Deze informatie staat niet in de informatiefolder maar heb ik op internet gevonden.

Omdat er zeer veel verschillende soorten tumoren zijn en kanker bovendien bij iedere patiënt een uniek verloop kent, is het soms zeer moeilijk om een kanker bij een bepaalde patiënt op een eenvoudige manier te beschrijven. Toch zijn er enkele hulpmiddelen waarmee artsen van overal ter wereld kanker zeer nauwkeurig beschrijven en classificeren. Zo is er een TNM-classificatie die tumoren in stadia indeelt. De TNM-classificatie is een ander systeem om een kanker te beschrijven. Bij deze methode wordt beschreven hoe het gesteld is met de primaire tumor (T), de dichtbijgelegen lymfeklieren (N van het Engelse nodes of lymfeklieren) en de metastasen (M) op afstand. Om de precieze betekenis van een TNM-waarde te kunnen begrijpen moet u zeker contact opnemen met uw behandelende arts. Elke tumor heeft namelijk zijn eigen classificatiesysteem, wat meebrengt dat de stadia of de letters en cijfers niet voor elke kanker dezelfde betekenis hebben.

TNM-classificatie Niercarnicoom

T = primaire tumor
TX: primaire tumor niet te beoordelen
T0: primaire tumor niet aantoonbaar
T1: tumor beperkt tot de nier en 7 cm of kleiner in grootste afmeting
T2: tumor beperkt tot de nier en groter dan 7 cm in grootste afmeting
T3: tumoruitbreiding in hoofdaderen of in bijnier of in perirenaal weefsel (ruimte rondom de nier), maar niet door de fascia Gerota
- T3a: tumoruitbreiding in bijnier of perirenaal weefsel, maar niet door de fascia Gerota
- T3b: macroscopische tumoruitbreiding in vena renalis(nierader) of vena cava (holle ader) onder diafragma (middenrif)
- T3c: macroscopische tumoruitbreiding in vena cava boven diafragma
T4: tumoruitbreiding door fascia Gerota

N = regionale lymfklieren

De regionale lymfklieren zijn de (nier)hilusklieren en de abdominale para-aortale en paracavale klieren.
NX: lymfklierstatus niet te beoordelen
N0: geen lymfkliermetastasen aanwezig
N1: metastase in een enkele regionale lymfklier
N2: metastasen in meer dan een regionale lymfklieren

M = metastasen op afstand

MX: metastasen op afstand niet te beoordelen
M0: geen metastasen op afstand aanwezig
M1: metastasen op afstand aanwezig (specificatie)

Prognose Globale 5-jaars overleving:
T1-2: 60-75%
T3a-b: 50-65%
T3c: 25-35%
N+: 15-35%
M+: 0-5%


Brochures over Nierkanker

Niertumoren - Brochure van de Nierstichting

Niercelcarcinoom - Brochure van ziekenhuis 'Nij Smellinge' in Drachten

Richtlijn voor niercelcarcinoom

Informatie over de ziekte Von Hippel-Lindau


Mijn verhaal
Informatie Nierkanker
Verslag
Links


Inhoud Conny's Hoekje:

HOME | EVEN VOORSTELLEN | COCHLEAIRE IMPLANT | LOGBOEK | LOURDES | MIJN BOEK: 'VAN HOREND NAAR DOOF' | ISRAEL (nieuw)|
TINNITUS | EEN WANKEL EVENWICHT | SCHILDKLIER | NIERKANKER | BAHA | ROME |
VAARVAKANTIE ZONNEBLOEM 2014 | VAARVAKANTIE ZONNEBLOEM 2007 | MIJN FACEBOOK | GASTENBOEK | CONTACT